Interview door Iris van Liere
“Officieel ben ik hier terreinbeheerder”, vertelt Kees, als we op pad gaan. “In mijn ogen ben ik gewoon boerenknecht”. Kees, van Jan van Kees van Pieter van Pieter van Samuël. Binnen vijf minuten zijn we in het jaar 1300 aangeland, bij Hof Boudewijnskerke, de boerderij van de familie van Kees. Waar hij boer zou worden, maar het niet werd en zijn werkende leven doorbracht als elektrotechnicus. Hoe zou je bedrijf eruit hebben gezien, als jij er boer geworden was, wil ik weten. “Ik zou een gangbaar keuterboertje zijn geworden, met een mooie minicamping”, luidt het antwoord, wat me een beetje verbaast.
Kees vertelt over de werkgroep Waterbeheer. Vindt het in wezen geen beheer, omdat er nog volop aan de infrastructuur wordt gewerkt. We zijn nog aan het bouwen, niet aan het beheren, vindt hij.
Hij vertelt enthousiast en gedreven over het ontwateringsplan, over de grote hoeveelheid grond die verzet is, over de wadi’s en de ring van greppels met drie treden (hoogteverschillen), die het water naar de dam moeten leiden, waar een waterzuivering is neergezet, vanwaar het gefilterde water naar het bassin gaat.
Via de greppels lopen we naar de compostbakken: terreinbeheer. Ook die plek is nog volop in ontwikkeling. Kees is van mening dat er gebouwd moet worden aan compostbakken met een cyclus van 4 of 5 jaar, op betonplaten, met roosters voor de afvoer van het drab en een pomp, om die drab ook te kunnen behouden en gebruiken. Dat betekent een fikse financiële investering.
We wandelen verder en komen bij voorraadbeheer, want daar is Kees ook van. Spullen op en rondom het parkeerterrein: wat mag wel en wat mag niet. Biologisch, natuureigen mag, zoals houtsnippers en wilgentakken. Metaal en plastic mag niet. We strijken neer op de blauwe, houten picknicktafel. Die was hem eerst een doorn in het oog, vertelt hij, en met een knipoog: “Ze hebben gezegd dat die nog geverfd gaat worden”.
We praten over de verschillende werkgroepen op de hoeve. Hoe het voor veel leden nog zoeken is om een plek te vinden. “Mensen moeten begeleid worden”, vindt Kees. “We moeten samen een familie worden. Je moet er een gevoel bij krijgen en dat vraagt tijd”.
Hij mijmert hoe mooi het is op de boerderij, hoe de gewassen er prachtig bijstaan. Hoe hij daarvan geniet.
O ja, ventilatiebeheer, daar is hij ook nog van, bedenkt hij dan. Dat moet nog één klap hebben, namelijk dat de installatie elektrisch goed in elkaar zit. En hij houd ook de veiligheid mee in de gaten. Er gebeurt hier nogal eens wat. Hij wijst: die blote benen, zoals wij die nu hebben, dat kan en dat mag eigenlijk helemaal niet. Een boerderij is een gevaarlijke omgeving. Met greppels en buizen. We moeten dat niet uit het oog verliezen. Aan de ogen van Kees ontgaat weinig, is mij wel duidelijk.
Ik ga het toch nog een keer vragen: “Als je nu een boerderij zou mogen beginnen, zou je dan nog gangbaar worden? Ik voel zoveel liefde voor deze manier van werken in jou”. Kees lacht: “Nee”.
Als we elkaar gedag willen zeggen, vraagt hij: “Je bent toch reporter? Moet je geen quote van mij hebben?”. Ik vraag of hij er een heeft. Nee, zegt hij stralend. Of, jawel, toch: “We moeten niet beheren, we moeten ontwikkelen”.
Waarvan akte.